
RVP165 - NLFREN - v1.0 - 10022015
4
NL
MACH
1.4 Reinigingsmiddelen
Voor de reiniging van verfpistolen en hun accessoires, moet u de volgende reinigingsmiddelen gebruiken:
ZONE A: Vloeibaar wasmiddel op waterbasis met een pH tussen 6,5 en 12. Afwezigheid van brandbare stoffen of minder
dan 8 %.
ZONE B: Een mengsel van oplosmiddelen gebruiken, die vaak door carrosserieherstellers gebruikt worden, en die de
volgende componenten bevatten:
• Oplosmiddel, methylacetaat, carbinol, cyanide methyleenchloride, propyl, dichloroethyleen, hexaan, isopropanol, M.E.K.
(methylethylketon), methylacetaat, propyleen.
• Terpentine oplosmiddel op basis van koolwaterstof, gasolie, kerosine.
Deze producten moeten aan de vereisten tegen milieuvervuiling voldoen, in overeenstemming met de geldende wetgeving in
het land waar de machine gebruikt wordt.
1.5 Verboden reinigingsmiddelen
Het gebruik van producten die niet door de fabrikant aangeraden worden, is een risico voor de gezondheid en de veiligheid
tijdens het werk met het apparaat, en kan schade aan de reiniger veroorzaken. Daarvoor is het raadzaam geen producten te
gebruiken, die niet expliciet in deze handleiding vermeld worden. Heironder vindt u een lijst producten, die gewoonlijk in de
carrosserie werkplaatsen gebruikt worden, maar die niet met de verfpistoolreiniger gebruikt mogen worden:
• Benzine en zijn derivaten,
• Oplosmiddelen op basis van aceton en derivaten,
• Ethylalcohol en andere primaire alcoholen,
• Niet brandbare maar gezondheidsgevaarlijke oplosmiddelen (chloride of uoratomen oplosmiddelen), zoals bijvoorbeeld
trichloormethaan, trichloorethaan, methyleenchloride, freon, tetrachloorkoolstof, perchloorethyleen, chlorothene,
trichloorethyleen, enz.
GEVAAR
Het is verboden water en oplosmiddel te mengen.
GEVAAR
Het gebruik van oplosmiddel op basis van giftige stoffen zoals thinner chloriden, uor atomen
of andere gehalogeneerde koolwaterstoffen is streng verboden. Het wordt aanbevolen om de
door de fabrikant gespeciceerde producten te gebruiken. De fabrikant is niet aansprakelijk voor
schade aan mensen of dieren na het gebruik van ongeschikte producten.
2 Omschrijving van de machine
• In de zone A, voor reiniging met water, een borstel (afb.1, 36Z) die het vuile water door middel van de pomp (afb.1, 32)
in de tank (afb.1, W2) neemt, een vernevelaar (afb.1, 22) die het schone water in de tank (afb.1, 53) neemt, een borstel
(afb.1, W36) die aan de hydraulische uitrusting van het bedrijf aangesloten is, een rooster (afb.1, W6C) om de te wassen
onderdelen op te zetten en te laten druppelen, een opvangbak (afb.1, W2) voor vuil water, binnen, een inrichting voor de
mengsel met de stollingspoeder (afb.1, W35), een kraan (afb.1, W30) voor de afvoer van het gestolde water in de lter
afb.1, W50) en een opvangbak (afb.1, W53) voor schoon water.
LAVEUR PULVERISATEUR MINI SUPER 160
1.2.3 ZONE D’INFLUENCE
Lorsque durant le lavage sont utilisés des diluants et des produits généralement inflammables, le Lave-
pistolets génère autour de lui une atmosphère pouvant être explosive en raison du mélange des vapeurs
inflammables contenues dans les produits utilisés et l’air environnant. Sur le schéma (fig. XZ), ont été
indiquées les zones d’influence en présence d’une atmosphère explosive et dans des conditions de
ventilation moyenne. Habituellement, à l’intérieur de telles zones, les appareils normaux de travail ne
peuvent pas être utilisés. Devant nécessairement travailler à l’intérieur de telles zones, il est obligatoire
que les machines et tous les appareils qui y seront placés ou qui s’y trouveront aient les niveaux de
protection et les caractéristiques spécifiques exigés par la directive 94/9/CE (Atex) et plus précisément:
•En Zone 1 et plus particulièrement à l’intérieur de la zone qui se trouve à moins de 1 mètre de
l’appareil, tous les équipements doivent être conformes au
groupe d’appareils II –catégorie 2 G (gaz).
•En Zone 2 et plus particulièrement à l’intérieur de la zone
qui est située entre 1 mètre et 2 mètres de l’appareil, tous
les équipements doivent être conformes au groupe
d’appareils II –catégorie 3 G (gaz).
L’utilisateur, aux termes de la Directive 1999/92/CE, a
l’obligation de garantir le respect des limites de la zone de
danger définie par le schéma et de procéder à la classification
en zone du milieu de travail où pourraient être présentes des
atmosphères explosives.
1.2.4 PRODUITS POUR LE LAVAGE
Pour le lavage des pistolets-pulvérisateurs et de leurs accessoires, il convient d’utiliser:
un mélange de diluants de lavage habituellement utilisés par les carrossiers pour les objets souillés de
peinture à base de diluant et qui contiennent normalement:
•dissolvant, acétate de méthyle, carbinol, cyanure de méthylène, chlorure de propyle, dichloroétylène, hexane,
isopropanol, M.E.K. (méthyle éthyle cétone), méthyle acétate, propylène.
•diluant à la térébenthine minérale à base d’hydrocarbures, gasoil, kérosène.
•liquide détergent à base d’eau. Dans ce cas, le mélange doit avoir les caractéristiques suivantes: un pH
compris entre 6,5 et 12; absence de composants inflammables ou en pourcentage inférieur à 8%.
Ces produits pour le lavage doivent respecter les prescriptions contre la pollution environnementale conformément
aux lois en vigueur dans l’état où est utilisé le Lave-pistolets.
Afbeelding 1
Volgens de richtlijn 1999/92/EG, moet de gebruiker het naleven van de grenzen
van de gevarenzone door het schema waarborgen, en de werkzone classiceren
als werkplek waar explosieve atmosferen aanwezig kunnen zijn.
copyrighted document - all rights reserved by FBC